Het potentieel van de kunstenaarstekst




“ART DISCOURSE AND ARTISTS’ WRITINGS” EXAMEN ESSAY
(vak in mijn huidige opleiding, gegeven door Camiel Van Winkel)
— (december 2020)




Tussen december (2020) en januari (2021) schreef ik een essay/opinie over het gebruik van de kunstenaarstekst. Ik deed dit ‘in opdracht’ - namelijk voor een vak dat ik volgde op Sint Lukas Brussel: Art discourse & Artist writings (door: Camiel Van Winkel) - een vak over het gevarieerde gebruik van het medium ‘de kunstenaarstekst’.
Dit vak was een keuzevak, dat zoals de omschrijving beschrijft, gaat over een veelvuldig gebruik van de kunstenaarstekst, dat logischerwijs op enkele methodes en conventies berust (zoals later duidelijk wordt a.d.h.v onder andere 3 voorbeeldteksten).
.
Via het essay en zo ook finale denkoefening voor het vak was het de bedoeling een antwoord te bieden op vragen, cirkelend rond het nut en de noodzaak van de kunstenaarstekst (specifieke teksten geschreven door kunstenaars). Dit presenteert volgens mij een essentiëel vraagstuk voor een kunststudent, met het oog op iets als kunstenaarsschap, of zelfs gewoonweg het ervaren en bewonderen van kunst en kunstenaars.
Hiervoor hoef ikzelf nog geen kunstenaar te willen worden, maar erop stoten zal onvermijdelijk worden binnen mijn interesseveld, lijkt me.
Ik kopieer een deel van de opdrachtsbeschrijving:

“The assignment is to write a theoretical paper/essay about the relationship between art production and writing in contemporary art, or more specifically, about the role and function of the written text for artists today. ...
... This will help you reflect on the various reasons that artists may have to write, and the various functions or foundations an artist’s text may have. ... How do artist’s texts reflect the notion of the “voice” of the artist? How do artists use specific formats or genres of writing? In what ways do artists use text as a medium of self-representation? What is the role of critique and selfcritique? ... Please explain your position with arguments.”


In mijn eigen contemplatie hierover van hiervan merkte ik dat ik snel de neiging had het gebruik van deze tekstsoort (als je wil) te verbinden met methodes en patronen die ik ook terugvind in mijn politieke denken en het uiten daarvan - en het is daarom dat ik besloten heb deze tekst hier ook te publiceren.

Ik denk om bovenstaande reden dat de tekst even veelzeggend is voor wat ik met mijn blog wil bevragen als duidelijk wordt in andere posts op deze blog. Deze uiteindelijk korte essay geworden oplijsting van gedachten, is voor mij dus even gebruikelijk als een poëtisch getinte, eerder abstracte en misschien wel vage blogpost. 

Vooraleer ik de tekst laat aanvangen lijkt het me logisch een kader te geven. Dit doe ik vooral omdat de tekst naar drie verschillende teksten verwijst - het zei om aan te beoordelen of toe te passen op de methodes die ik aanhaal - doorheen de tekst. Dit zijn teksten die we besproken tijdens de lessen van het vak. Hieronder geef ik een korte schets van wat de teksten bespraken, mijn oordeel erover, en/of link naar de originele publicaties van deze teksten (op één na).



1 - Jan  Vercruysse - “Is there life after Documenta?”

https://www.dewitteraaf.be/artikel/detail/nl/75

Jan Vercruysses repliek op zijn niet-deelname aan Documenta IX, via de Witte Raaf (1992). De tekst behandelt de verhouding tussen kunstenaar en tentoonstellingsmaker, in dit geval zijnde Vercruysse zelf en Jan Hoet.

Mijn probleem met dit artikel, of zeg maar deze open brief, had onder andere te maken de insteek van de tekst. De brief is geschreven als repliek op kritiek die Belgische media had op Vercruysse na het maken van zijn beslissing, alsook een kadrering van de feiten, zoals Vercruysse ze ervaarde. Pas nadat er commentaar volgde op Vercruysses drastische beslissing om niet deel te nemen aan de toenmalige editie van Documenta (en vanaf die dag alle edities) was niet enkel ingrijpend voor hemzelf, maar ook voor de Belgische kunstwereld.
Vercruysse probeert via een afkeer van Jan Hoet’s aanpak doorheen de jaren (waar zeker iets voor te zeggen is), zijn positie én vooral specifieke beslissing te verdedigen.

Toch overtuigde Vercruysses repliek op de toestand in ‘92 mij niet. 

Door over zijn redeneringen na te denken, werd voor mijzelf duidelijk dat Vercruysse de situatie niet goed beoordeeld had, en het schrijven van een verdediging pas na het ontvangen van kritiek van de grotere, Belgische media, maakte enkele van zijn standpunten voor mij minder gegrond of oprecht.

Dit wordt voor verder in de tekst toegelicht en beargumenteerd. Het lezen van de tekst is hiervoor wel een aanrader. 



2 - Mike Kelley - “Architectural non-memory replaced with pyschic reality”

https://www.dewitteraaf.be/artikel/detail/nl/2425

Mike Kelley licht toe hoe Educational Complex (een werk van hem uit 1995) tot stand is gekomen. Onder ander door zijn eigen “fascinatie voor het zogenaamde ‘repressed memory syndrome” onderzoekt hij actualiteiten betreffende misbruik en trauma.
Ook licht hij ook toe hoe hij als kunstenaar omgaat met het maken van werk, en wat daarbij de wisselwerking inhoudt met uiteenlopende interpretaties.
De reactie die hij ontving op een voorgaand werk met speelgoedbeesten was veelbetekenend. Hierbij ging publiek op zoek ging naar een verklaring voor dat wat getoond werd in de opleiding van de kunstenaar (hijzelf dus).



Kelley besloot deze rol die hem zo werd toegeschreven - die van een slachtoffer - te omarmen om zo nieuw werk te produceren en deze interpretatie dus te worden: hij werd “datgene wat hij toch al was, namelijk een slachtoffer”. Hierbij vind ik het interessant deze ervaring en ook tekst tegenover die van Jan Vercruysse te plaatsen:
Beide kunstenaars reageren duidelijk verschillend op hoe hun eigen werk gepercipieerd en vooral verwacht wordt. Het is belangrijk te vernoemen dat beide situaties natuurlijk erg verschillen, maar in het essay zal duidelijk worden om enkele redenen dat ik Kelley meer waardeer voor zijn insteek en open blik.

Hijzelf licht nog kort toe voor ons:

“Omdat ik kunstenaar ben, lag het voor de hand om in mijn eigen artistieke opleiding op zoek te gaan naar de wortels van mijn heimelijke indoctrinatie in de perversiteit, en misschien zelfs naar de plaatsen waar ik werd misbruikt. Ik zeg ‘heimelijk’ omdat ik niet bewust getraind was geweest om dat soort dingen te doen: ik dacht dat ik alles zelf had bedacht. Mijn opleiding tot kunstenaar moest dus wel een vorm van psychisch misbruik zijn geweest, een vorm van hersenspoeling. Anders kon ik me toch nooit zo lang hebben beziggehouden met activiteiten die onverhuld wezen naar mijn verdrongen misbruik, zonder me daar zelf bewust van te zijn?”



3 - Gerard Richter’s Notes (1992)

(email: dries.verhaegen@live.be voor info over tekst(en))

Zoals de titel reeds aangeeft gaat het hier om Richter’s dagboeknotities, chronologisch weergeven (zoals wel vaker in dagboeken) in een uitgave. Enkele motieven die in zijn bedenkingen terugkomen worden aangehaald doorheen de tekst.

Binnen het denkkader dat ik duidelijk probeer te maken doorheen het essay, is Richters aanpak in mijn ogen zowel te beperkt als interessant, en ook qua vorm (dagboek) een essentiële methode voor het bekomen van een kwalitatieve poging tot relevante kunstenaarstekst. 







Het potentieel van de kunstenaarstekst



De verschijning van de kunstenaarstekst is, door het veranderen van de kunstwereld en zijn verloop doorheen  de afgelopen decennia alleen al, mee veranderd tot een onmiskenbaar gereedschap van ‘de’ kunstenaar. Niet  alleen schenkt het de artiest een potentiële omkadering en/of verduidelijking van een specifiek werk, ook laat  het ons als lezer toe als het ware dichter bij de kunstenaar te staan. Hiermee bedoel ik dat het mee-voelen met  bijvoorbeeld een kritiek die via zo’n tekst geuit wordt, niet altijd zo vanzelfsprekend is. Sommige  standpunten en/of vraagstellingen vragen om contextualisering, vragen in zeer specifieke gevallen misschien  zelfs om verantwoording - al stel ik mezelf hier toch nog wat vragen bij. Sommige teksten zoals Jan  Vercruysse’s “Is there life after Documenta?” lijken naar mijn mening verdacht veel op een verzuurde  uitvlucht om een bepaald imago in stand te houden, en komen bijgevolg minder geloofwaardig, of zelfs niet  noodzakelijk over. Dat het imago van een kunstenaar primeert, voorspelt vaak geen overtuigende boodschap,  of het nu in een tekst naar voren komt of een werk. 

De reden dat een kunstenaarstekst geslaagd is, hangt af van onder andere de gelijkwaardigheid met een  kunstwerk zelf, dat als het goed is, onvervangbaar is. Dat wil ook zeggen dat de tekst daadwerkelijk  geschreven moest worden, met de nadruk op schrijven. Het is dan dus de tekst die iets toevoegt, die iets  onthult, die iets bekritiseert. Meer nog: in dit geval is het enkel de tekst die datgene mogelijk maakt. Dit is  vergelijkbaar met de alledaagse praktijk van de kunstenaar, waarbij het bij pakweg een schilder hopelijk  essentieel is dat zijn praktijk valt of staat door onder andere de keuze voor specifiek het schilderen, en dat de  complexheid van zijn eigen praktijk niet ook door een fotograaf gecreëerd kan worden. In dat opzicht is  iedere daad van de kunstenaar altijd een mediumspecifieke keuze, die voldoende gemotiveerd moet worden. De tekst mag dus zeker niet een vrijblijvende geste worden. 

Het is bijgevolg belangrijk dat de kunstenaarstekst op zich staat. Dit is dan het kunstwerk-worden van de  tekst. Hiermee bedoel ik dat er een gelijkwaardig gehalte aan zo’n tekst kan worden toegeschreven, dan aan  een schilderwerk dat geëxposeerd wordt. Bij het schrijven van een kunstenaarstekst kiest de maker er zeer  bewust en specifiek voor om te schrijven, en zo dus zijn andere, meestal geliefkoosde en typerende praktijk  (schilderen, installatie, video) even achterwege te laten. De actie van het schrijven is als het ware de  universele daad en zo het snijpunt van alle kunstenaars. Voor een kunstenaar is het logisch om te schrijven,  omdat schrijven een kritische blik, een etnische roots, of wat dan ook dat de kunstenaar toont in zijn werk  altijd extra zichtbaar kan maken. Dit terwijl de keuze voor een medium naast schrijven, zoals die tussen  fotografie of beeldhouwen, veel specifieker en dwingender is: er lijken hier meer consequenties aan  verbonden die specifiek zijn aan het gebruik van die media als kunstenaar. Een kunstenaar die er resoluut  voor kiest nooit te schrijven doet al vaker de wenkbrauwen fronsen, dan eentje die nooit foto’s wil maken.  Schrijven lijkt eerder een positief, en toegankelijk medium, dat veel mogelijk maakt en niet beperkend werkt  voor eender wiens kunstenaarspraktijk. We moeten dan verwachten dat de kunstenaarstekst, net zoals het  kunstwerk, eveneens nooit vrijblijvend of inwisselbaar is, waarmee het zou leiden tot een moment van  stilstand binnen het oeuvre van de maker. Een vrijblijvende kunstenaarstekst is de tegenpool van een  relevante. Iedere daad in de praktijk van de kunstenaar moet eigenlijk een soort progressie beogen. Wat kon,  kan nu beter. Wat was, is nu anders. Iets doen, is iets nieuws doen. Iets denken zelfs, is iets nieuws bedenken.  Net zoals het bij een kunstwerk van het publiek zal afhangen of de kunstenaar een positieve reputatie kan  opbouwen, kunnen goede/relevante kunstenaarsteksten door de lezers herkend worden.


Vercruysse koos er standvastig voor om zijn kritiek te uiten via het beschikbare medium van de tekst,  maar naar mijn mening was Vercruysse’s tekst enkel relevant voor hemzelf, een pleister voor de wonde die  geen vooruitgang bewerkstelligde, waar er zich geen oplossing voor zijn probleem voordeed, en bijgevolg was de tekst niet vruchtbaar genoeg voor mij, en ook niet voor heel wat anderen geloof ik.
De schijn van een  oplossing voor hemzelf was er wel, en werd door Vercruysse beschreven en beargumenteerd in de tekst. De  twijfel die over zijn ‘remedie’ heerst, en die het gespreksonderwerp bij uitstek lijkt bij het bespreken van  deze tekst, maakt Vercruysses poging tot een minder goede kunstenaarstekst. 

Zo’n beoordeling hangt natuurlijk niet enkel en alleen af van de mogelijkheid dat de tekst op zichzelf een  relevante, bewust geformuleerde boodschap verkondigt. Vaak is het zelfs zo dat deze kunstenaarsteksten in  het verlengde liggen van een werk - of meer nog, onlosmakelijk verbonden zijn aan het werk, door het  bijvoorbeeld te bespreken, zoals in Mike Kelley’s “Architectural non-memory replaced with pyschic reality”.  Een goede kunstenaarstekst is dus niet per definitie een eigen entiteit; wél vertoont het hetzelfde intrinsieke  gebeuren als een kunstwerk dat doet. Een goed kunstwerk valt of staat in feite nooit zonder achteraf  geschreven tekst; als er geen tekst is, valt er ook niet over te fantaseren. Omgekeerd is dit vaak anders:  zonder werk, geen bijhorende tekst. 

Deze overeenkomst, tussen kunstenaarstekst en kunstwerk, zouden we kunnen bestempelen als een  intrinsiek-zijn. Het is interessant de relatie tussen bijvoorbeeld dagboeknotities en iemands leven hiermee te  vergelijken. In feite is het oeuvre van een kunstenaar dan ook niet zoveel verschillend - eerder zelfs bijna een  verlengstuk - van de kunstenaar zijn leven. Een kunstenaarstekst kan wel of niet over één of meerdere  specifieke werken gaan, ergens gaat het altijd over de auteur zijn werk, of dus diens oeuvre. Een  kunstenaarstekst is gelijkaardig aan een dagboeknotitie, in die zin dat het altijd onlosmakelijk verbonden  is aan de identiteit van de auteur. De pen is hier altijd (onbewust) politiek, omdat het simpelweg niet los  kan worden gemaakt van de auteur zelve. 

Dit wordt snel duidelijk in Gerard Richter’s Notes (1992). Naast het feit dat deze tekst een oervorm is van  wat een kunstenaarstekst kan zijn - namelijk de kunstenaar zijn dagboek, “notes” - toont het ons ook hoe snel  het persoonlijke, iets politiek wordt en vice versa. De tekst gaat van zijn eigen persoonlijke frustraties over  hoe zijn oeuvre als kunstenaar beoordeeld wordt, over naar zaken als de angst voor de dood; en ook beschrijft hij  kunstenaars (en muzikanten, schrijvers, …) als de echte ‘geschiedenismakers van de wereld’. Het blikveld is breed - zoals het dat kan zijn in een dagboek. Het persoonlijke wordt hier het politieke en dit wordt  uitgesmeerd op het canvas van de schilder.
De kunstenaars tekst is vaak de afdruk die de kunstenaar nadat het werk af was nog maakte, naast het canvas, en later besliste dat deze ook getoond kon worden. Er is geen  verschil in wat we te zien krijgen van de kunstenaar: beide zijn het penseelstreken (om het bijzonder lullig te omschrijven), verschil is de manier waarop het wordt aangeboden.

Dat gezegd zijnde, kunnen we dit intrinsieke gebeuren dat zowel kunstwerken als kunstenaarsteksten zijn,  omschrijven als een gebeuren dat simpelweg voortkomt uit één en dezelfde bron, namelijk de kunstenaar zijn leven, maar waarbij de kunstenaar hierin fungeert als een soort kritische en zo oprecht mogelijk verslaggever. We komen in de buurt van een  oprechte en goede kunstenaarstekst, als de externe factoren die het schrijfproces kunnen beïnvloeden, gereduceerd worden tot een minimum. Een voorbeeld van zo’n externe ‘stoorzender’ is dan bijvoorbeeld een emotie die de bovenhand neemt. Maar in welke mate is bijvoorbeeld iets dat de kunstenaar (of de dagboekschrijver) produceert nog überhaupt een extrinsiek gebeuren, en bijgevolg dus meer vals dan oprecht  en accuraat? En wie is hier de correcte mediator dan? Wie bepaalt nog wat? De mate waarin iets intrinsiek is,  geldt dus nooit als enige waardemeter, maar meer als herkenningspunt dat een relevant werk kan onthullen.

Hiernaast moet de tekst ook doen waarvoor het geschreven is, en één van die doelen moet zeker zijn dat een  het boodschap duidelijk en helder overbrengt. Richters leven kennende (politieke uitingen, openbare  uitspraken) verandert natuurlijk het lezen van de boodschap die in zijn tekst geformuleerd wordt. En zowel  Richter als Vercruysses tekst hebben wél bijvoorbeeld een naar mijn mening goede techniek, namelijk  dat zij beiden over een goede schrijverspen beschikken. Wat ik problematisch vind echter, is het kunnen  benoemen van de teksten als intrinsiek; wat mij zou kunnen overtuigen.
Ik geloof Vercruysses pleidooi over  Jan Hoet niet helemaal omdat dat wat de tekst mij vertelt eerder gedreven wordt door een emotie, dan door bijvoorbeeld een ratio. Vercruysses oordeel komt dus niet logisch beredeneerd over, maar is eerder een  blinde, bijna woedende uithaal, net nadat iemand je omver liep zonder reden. De drijfveer voor de tekst zit hem dus niet enkel in de ervaring die hij als kunstenaar had, maar meer in alles dat er rond gebeurde en het conflict beïnvloedde, inclusief zijn eigen onbegrip dat daaruit volgde. Of meer nog: zijn blijvend onbegrip  over niet enkel die specifieke situatie, maar over de veelheid van zo’n gebeuren: het is meer een onbegrip  over iets dat veelvoorkomend is, en dus bij het leven lijkt te horen (‘curatoren die telkens bepaalde keuzes  opnieuw lijken te maken’) dat ervoor zorgt dat Vercruysse gefrustreerd achterblijft. Vercruysse snapt niet  enkel de situatie die in dit geval iets zegt over machtsposities en ego niet, hij krijgt vooral geen grip op wat  een alternatief hiervoor zou kunnen zijn (m.a.w: hoe zo iets functioneert), en krijgt dit voor mij dus ook niet geformuleerd, hoe goed de tekst ook geschreven zou zijn. Het is hierdoor dat ik negatief oordeel over de  tekst als relevante kunstenaarstekst, net zoals ik zou oordelen over een kunstwerk dat hij als reactie zou  maken in dezelfde context. Het gaat hem dus niet over enkel een vaardigheid, maar over een bepaalde  mogelijkheid tot inzicht, waarbij de situatie begrepen wordt in zijn veelheid van voorkomen.

Richter licht zaken in zijn tekst op die hij niet begrijpt of beter, waar hij geen vat op krijgt. Dit is ook niet  het probleem van deze kunstenaarstekst. Het probleem is dat de tekst me lijkt te willen vertellen dat Richter hiervoor de oplossing wél heeft. Hij lijkt zichzelf op een manier te willen sussen dat het probleem niet bij  hemzelf ligt, maar bijvoorbeeld bij de perceptie van figuratieve schilderkunst. En ook het spreken met ‘wij’  in plaats van ‘ik’ doorheen de verschillende notities lijkt een andere methode om een onbegrip of frustratie  over verschillende onderwerpen of disputen te normaliseren. Maar door te zeggen dat een situatie niet  onder controle is, dat je iets niet begrijpt en hier op zoek gaat naar factoren die daarvoor zorgen, kom je  volgens mij tot een veel meer bevredigende (én kwalitatieve) conclusie, dan een uit frustratie gefabriceerde  schijnoplossing te poneren, ook al is dit onbewust. 

Het onbegrip over een situatie is dus iets dat begrepen kan worden. Door de situatie traag te overlopen, of  jezelf ervan los te koppelen, vermijd je bijvoorbeeld persoonlijke invalshoeken, die misschien misleidend  kunnen werken. De zoektocht naar een meer objectieve analyse zal voor zowel Richter als Vercruysse langer duren, vrees ik, terwijl Kelley een gelijkaardige ervaring als Vercruysse had, maar ondertussen aan  een nieuw kunstwerk werkt. Door zijn eigen rol als maker van het werk niet te laten primeren, kan hij  reacties op zijn werk een plaats geven. Je zou bijna kunnen stellen dat hij de ‘waarheid’ die hij vooraf aan het  werk gegeven had, niet als superieur ziet. Door open te staan voor alternatieve interpretaties, zal hij via zijn  werk uiteindelijk dichter bij een objectieve boodschap komen. 

Hierbij moet wel gezegd dat mijn beoordelingen van de besproken teksten natuurlijk niet zo zwart-wit zijn  als ze lijken. Richters tekst neigt voor mij meer naar ‘een kwalitatief en bevredigend inzicht’, en dus een  kwalitatief betere tekst dan Vercruysse. Zonder meer is de discussie rond wat kwalitatief of objectief wordt  geacht, een gesprek zonder einde, zou je kunnen zeggen. Om dit gesprek scherper te kunnen stellen, moet  men bereid zijn onder andere het persoonlijke op een radicale manier aan de kant te schuiven. Dat is iets wat  Kelley ons volgens mij duidelijk toonde. Door te overwegen wat hij zelf nog niet had kunnen bedenken,  komt hij meer en meer in de buurt van de mogelijkheid het complexe gebeuren te overzien. Zijn  kunstenaarstekst hierover oogt daardoor objectiever en wijzer.

Vercruysses repliek op zowel de kritiek die hij in de media moest slikken als Jan Hoet zijn uitspraken  worden grotendeels gedragen door een externe, irrationele emotie, niet door een eigen logisch handelen.  Neem de frustratie weg en het wordt meer intrinsiek. Daarom is Kelley zo interessant: zijn tekst gaat niet uit  van een emotionele uitbarsting: hij maakt van iets dat negatief zou kunnen zijn iets positiefs; hij toont wat  een alternatief op een bepaald probleem zou kunnen zijn - en dit schuilt in de tekst: het werk van Kelley zou  zelfs technisch zeer slecht kunnen zijn, maar deze tekst overtuigt me, omdat de methode oprechter is, er zit  namelijk iets in dat veel meer universeel oogt dan een sporadische emotionele uitbarsting.

Het mooie hieraan is dat dit als een waardeoordeel zou kunnen gelden voor hele complexe zaken, neem nu  iets als ethiek. Vele racistische uitspraken kunnen naar mijn mening al snel de kop in worden gedrukt door er  bijvoorbeeld niet met een woeste emotie op te reageren, maar door er rationeel en traag over na te denken.  Het probleem is dat niet iedere wereldburger daarvoor de tijd wil nemen; de gevolgen zijn vandaag de dag nog steeds pijnlijk duidelijk. 

Het zwarte pieten-debat lijkt me daarvan een goed voorbeeld. Hoe meer je over zaken als traditie, slavernij  en sinterklaas leest, hoe duidelijker het mij lijkt dat het figuur en het behoud van de zwarte piet zeer  twijfelachtig zijn, en dat het misschien beter is voor een roetpiet te kiezen in plaats van een zwarte. Dit is een  interessant voorbeeld omdat we na het hebben van een grootschalige discussie hierover, waar heel Nederland  en België aan zouden deelnemen, wél een soort van waardeoordeel zouden kunnen uitspreken over de  mensen die na de discussie nog steeds een zwarte piet willen behouden, ‘want het is traditie’.  Door zo te werk te gaan kunnen we misschien tot een consensus kunnen komen over wat racisme betekent,  over wat ethisch is. Een voldoende gefundeerd waardeoordeel over ethiek, is zo gelijkaardig aan een oordeel  over een kunstwerk/tekst. Bij beiden kan je zo nog steeds voor - en tegenstanders hebben, maar is deze  tegenreactie niet altijd nog even betrouwbaar of doorslaggevend. 

We kunnen ons dus luidop de vraag stellen of zowel de ‘zwarte piet-voorstanders’, als Vercruysse intrinsiek  handelden, en nog steeds handelen, en hiermee aftasten of we dat goed of slecht vinden. Sluiten we ons erbij  aan of liever niet? Vind ik het een goed werk, of doet het me niets? Is de tekst interessant of grijpt ze wat in  het rond zonder houvast? 

De mate waarin iets ‘intrinsiek’ is, leidt in deze optiek mee naar de mate waarin iets uiteindelijk relevant is. De discussie  rond wat racistisch is, is misschien wel complexer en meer gelaagd dan dat; toch is het interessant op te merken hoe het analyseren van verschillende waardeoordelen zo doorslaggevend kan worden in ethische discussies. Intrinsiek zijn impliceert in de kunstenaarspraktijk daarmee dan dat het medium-afhankelijk is, dat het onvervangbaar is, dat het  overtuigend is, dat het op zichzelf staat en daarmee genoeg is. Dit kan gelden voor zowel een kunstenaarstekst als werk, wat in essentie vaak hetzelfde omvat: een ‘(soms beargumenteerde) blik/mening  die geworpen wordt op de buitenwereld’. 

Ik opteer hier dan ook niet voor een herdefiniëring, eerder voor een meer bewuste, en zo andere aanpak van wat ethisch is;  alsook van wat een goede of slechte; een interessante of eerder oninteressante kunstenaarstekst is. Iets dat  naar mijn mening ‘goed’ is, of ethisch, zal ik hoogstwaarschijnlijk ook bestempelen als intrinsiek zijnde, tenminste, op de manier hoe ze in deze tekst naar voren wordt geschoven. De vraag wanneer een kunstenaarstekst nodig is kan volgens mij met dezelfde maatstaf beoordeeld worden.

De tekst moet me niet enkel overtuigen via redenering en logica; het moet de zogenaamde goede schrijverspen als het ware niet meer nodig hebben,  omdat dat wat gezegd wordt, zo oprecht en puur is dat dat mij mee tot een inzicht brengt. Dit heft dan ook  meteen de verwarring op, wanneer bijvoorbeeld een tekst goed geschreven is, maar tegelijkertijd verkondigt  om alle gekleurde mensen op aarde uit te roeien. De tekst of propaganda is niet goed, omdat hij nooit alleen  goed kan zijn door een goede schrijverspen van de maker. Dit is de reden dat een extreemrechtse kunstenaar  voor mij hoogstwaarschijnlijk nooit een goede kunstenaarstekst zal schrijven: de inhoud mag dan wel mooi  beschreven zijn, voldoende opgebouwd, en logisch/duidelijk qua argumentatie; ik zal de premisse van de tekst gewoonweg niet geloven. De tekst zal niet overtuigen omdat de behandelde thema’s (bv: racisme) niet  begrepen worden door de auteur, en dit terwijl hij de indruk heeft van wél. De beoordeling van zo’n tekst  dient dus wel van een persoon (of groep mensen) te komen die het besproken vraagstuk in een zekere mate  begrijpt, en dus een plaats kan geven tussen andere verschijnselen. 

Daarom is iets aftasten dat onduidelijk lijkt voor de auteur, zonder dat hij een geveinsde oplossing beschrijft, interessant, en een oordeel uitspreken dat gedreven is door enkel bijvoorbeeld een emotie en daarbij vaak een onopgemerkte onwetendheid (beperkte expertise) het net niet. Beperkte expertise van een behandeld thema leidt in bijna alle gevallen tot  een falen van de auteur om het onderwerp te kunnen kaderen, of om alternatieven voor een probleem te  kunnen voorzien, en dit is net essentieel. Teksten geschreven met een beperkte reikwijdte aan inzicht, vallen  altijd door de mand, simpelweg omdat dit inzicht nooit een onmogelijkheid is. Het potentieel om racisme te  kunnen begrijpen, is aanwezig.

Een kunstenaarstekst die afsluit met de conclusie dat de oplossing zoek is heeft meer begrepen dan een tekst  die via frustratie een oplossing bedenkt: de auteur begrijpt hier dat hij iets niet begrijpt. Die slotsom bedenkt  geen schijnoplossing, en is als het ware ultiem intrinsiek. Dat is waar een kunstenaarstekst voor zou moeten  staan.